|
Op deze pagina willen wij U iets vertellen over de rode ierse setter en zijn verschijning
Rasstandaard Ierse Setter-ROOD
De rode Ierse setter is in Ierland ontwikkeld tot een werkhond voor de jacht. Het ras is voortgekomen uit de Ierse setter rood en wit en een onbekende roodgekleurde hond. Het ras was in de achttiende eeuw duidelijk herkenbaar. De Ierse setter club was opgericht in 1882 om het ras te promoten. De club gaf in 1886 de rasstandaard uit en heeft sinds die tijd veldwedstrijden en shows georganiseerd om de standaard vast te stellen. In 1998 publiceerde de club de werkstijl voor het ras. De rasstandaard en de werkstijl samen beschrijven de vorm en de werkmogelijkheden van het ras. De Ierse setter rood heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot een stoutmoedige, gezonde, intelligente hond, die uitmuntende werkmogelijkheden bezit en een groot uithoudingsvermogen heeft. De Ierse setter rood is bij de F.C.I. ingedeeld in groep 7, sec.2, nr. 120. Standaard van 02-04-2001. Land van herkomst: Ierland. Gebruik : Jachthond en gezelschapshond. Algemeen voorkomen: Op snelheid gebouwd en atletisch, vol kwaliteit, vriendelijk van uitdrukking, gebalanceerd en goed in verhouding. Gedrag/temperament: Levendig, intelligent, energiek, aanhankelijk en trouw. Hoofd: Lang en droog en bij de oren niet grof. Snuit en schedel van gelijke lengte en op Parallelle lijnen. Schedel Schedel: Ovaal van oor tot oor, met veel ruimte voor de hersens en met goed ontwikkelde achterhoofdsknobbel. Uitstekende wenkbrauwen. Stop: Duidelijk zichtbaar. Aangezicht: Neus: De kleur van de neus is donker mahonie, donker walnoot, of zwart met open neusgaten. Snuit: Tamelijk diep en vrijwel vierkant aan het einde. De afstand tussen de stop tot de punt van de neus moet lang zijn, de neusgaten wijd, geen hanglippen. Kaken: Kaken van vrijwel gelijke lengte. Gebit: Schaargebit. Ogen: Donker hazelnoot tot donkerbruin. De ogen mogen niet te groot zijn. Oren: Van gemiddelde grootte, fijn, laag en goed naar achteren aangezet zijnen in een sierlijke plooi tegen het hoofd hangen. Hals: Middelmatig lang, zeer gespierd, maar niet te dik, licht gebogen, vrij van elke schijn van keelhuid. Lichaam In verhouding tot het formaat. Borst: Diep, voor vrij smal. De ribben goed gewelfd, met volop ruimte voor de longen. Lendenen: Gespierd en licht gebogen. Staart: Middelmatig lang, evenredig aan de grootte van de romp en vrij laag zijn aangezet,sterk bij de wortel en in een fijne punt uitlopend. Hij moet zoveel mogelijk in een lijn met de of beneden de rug worden gedragen. Voorhand Schouders: Fijn aan de punt, diep en goed ver naar achteren geplaatst. Ellebogen: Vrij goed naar omlaag en niet naar binnen of naar buiten draaiend. Voorbenen: Recht en pezig, goede botten. Achterhand Breed en krachtig. Achterbeen: Lang en gespierd van heup tot sprong: van sprong tot hiel kort en sterk. Knie: Goed gebogen. Hak: Niet naar binnen of naar buiten draaien. Voeten: Klein, zeer stevig, tenen sterk, gebogen en dicht tegen elkaar. Gangwerk: Vrij vloeiende, stuwende beweging, hoofd hoog gedragen. De voorbenen reiken goed naar voren en hebben een krachtige afzet. Achterhand soepel met kracht. Het kruisen of weven van de benen wordt niet geaccepteerd. Vacht Beharing: Op het hoofd, de voorzijde van de benen, de toppen van de oren, kort en fijn. Op de andere delen van het lichaam en benen gemiddeld van lengte, plat en zo vrij mogelijk van krullen of golven. Bevedering op het bovenste deel van de oren lang en zijdeachtig, op de rug van de voor- en achterbenen lang en fijn; redelijke hoeveelheid haar op de buik, franje vormend en kan doorlopen over de borst naar de keel. De voeten moeten tussen de tenen goed bevederd zijn. De staart heeft franje van gemiddelde lengte naar mate het de staartpunt bereikt. Alle bevedering recht en plat. Kleur: Rijk kastanje bruin, zonder spoor van zwart. Wit op de borst, keel en tenen, of kleine ster op het voorhoofd of een smalle streep of bles op de neus leiden niet tot diskwalificatie. Formaat
Schofthoogte: Reuen; 58-67cm (23-26,6 inch) Fouten Elke afwijking van voornoemde punten moet als fout worden beschouwd, waarvan de mate van beoordeling in de juiste verhouding moet staan tot de graat van de afwijking en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van de hond. NB Reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald
Vacht Met een fijne kam haal je de onderwol uit de vacht. De bevedering aan de voor- en achterbenen borstel je uit. Bij erge klitten gebruik je een dubbele effileerschaar. Let er wel op dat je geen gaten krijgt. Het haar op de borst en de buik uitborstelen. Eventuele dode haren pluk je weg. Deze zijn vaak dof en licht gekleurd.
De oren aan de binnen- en buitenkant gladplukken. Let wel op de oorranden, deze kun je stuk trekken. Eventueel knip je de haren langs de oorranden met de enkele effileerschaar. Pas wel op dat de oren bij effileren een andere kleur kunnen krijgen. Het hoofd gladplukken. De hals met de enkele effileerschaar tot het borstbeen gladmaken. Zorg ervoor dat de overgang naar de nek en schouders vloeiend verloopt. Kijk de oren na op eventuele oorontsteking. De tanden kijk je na op tandsteen, als het mogelijk is verwijder je dit. De voeten maak je klein en rond door het haar, dat uitsteekt, uit te dunnen met een enkele effileerschaar. Het haar tussen de tenen moet blijven zitten om spreidvoeten te voorkomen. Het haar tussen de voetzolen wegknippen. Let op: ertussen komt vaak klitvorming voor tot op de huid. Laat de hond staan en knip met een gewone schaar de voeten netjes rond tot de zogenaamde kattenvoet. Voor een nog beter resultaat knip je de nagels. Het haar op de hak maak je kort tot aan de sprong. De bevedering van de voorbenen kam je naar beneden. Eventuele haren die op de grond slepen knip je weg. Laat dit er zo natuurlijk mogelijk uitzien. Het haar op de staart maak je aan de punt kort. Bij de staartaanzet hoort het haar lang. Hiervoor gebruik je de enkele effileerschaar. Was de Ierse Setter met universele honden shampoo. Na het wassen doe je iets crèmespoeling in de bevedering. Hierdoor valt het mooier. Droog de hond met een föhn. Gebruik hierbij een pennenborstel om de haren uit te borstelen. Tanden Naast de vachtonderhoud behoeft Uw hond ook regelmatig een tandenpoets beurt. Dagelijks poetsen met hondentandpasta is geen overbodige luxe. Het voorkomt op latere leeftijd veel tandsteen problemen. In de handel zijn ook gebitsreinigende kauwstaven voorhanden. Nagels De nagels van de hond kunt U knippen. Wanneer deze de grond raken zijn ze duidelijk te lang. Let dan wel op dat U naast het leven knipt . Ogen De ogen reinigt U door de slapertjes met een vinger in een neergaande beweging weg te wrijven. Oren De oren van de hond mogen niet vergeten worden. Als de oorschelpen vies het van oorsmeer zijn moet en ze worden schoon gemaakt. Een hond die veel met zijn kop schudt of achter zijn oren krabt kan last van oormijt of oorontsteking hebben. In dit geval moet U een dierenarts raad plegen.
De Ierse setter is een jachthond. Het was zelfs de eerste inheemse Ierse jachthond.
Een hond is meer een alles eter dan een vleeseter. De wolf eet zijn prooi op met huid en haar en zelfs de botten en maaginhoud gaan mee naar binnen.
Ook een Ierse setter kan, net als
de mens, ziek worden. Deze “ziekten”zijn niet meer of minder dan bij andere honden. Door selectie van fokkers, en regels van de fokcommissie wordt getracht deze te voorkomen.
Als U besluit een Ier aan te schaffen, moet U wel realiseren dat het niet alleen voor de kerstdagen is, maar voor een heel honden leven lang. Ook in de regen moet U hem uitlaten en als U hem genoeg laat rennen heeft U in huis een rustige hond.
|